Het Einde van Melancholie – Experimentele fase

Mensen die bang waren dat de geur van de meubels in hun kleren zou dringen, kwamen hier niet. Er was sowieso nog weinig volk. Dat was niet zo verwonderlijk. A.B. was een experimenteel musicus. In het jargon dat binnen het experimentele milieu werd gebezigd, was de beschrijving ‘experimenteel’ een soort Ouroboros die, in dit geval, zijn eigen betekenis opvrat. In zoverre klopte de aanduiding dan weer wel. Maar goed, ook als je als geinteresseerde krantelezer en waarnemer van obscure blogs op de hoogte was van het discours, dan kwam je nog niet. Ook exponenten van de groeiende groep armoedzaaiers die de laatste tijd in Berlijn neerstreek, wier kleren en huid-en haargeur de meubels een nog ondoorgrondelijker parfum konden geven, zou je deze avond nauwelijks aantreffen. Daarvoor lag het gebouwtje iets te ver verwijderd van de gebruikelijke route.

Die route liep vooral door Neukölln. De straten waren schots en scheef, winkels en woningopgangen maakten een uitgewoonde indruk; de grove reclameplakaten hingen er veelal in flarden bij. De Turkse gezinnen kon je al tot de oorspronkelijke bewoners rekenen, hun winkels waren zonder opsmuk. De huren waren nog betaalbaar, zeker als je met zijn drieën in een woning hokte. In deze buurt wemelde het van de activiteit. Zo heette dat als ergens weer eens een voormalige woonkamer in een bar, galerie of eethuis veranderde. Aanvankelijk werd aan de inrichting niet meer tijd besteed dan het week-end dat ervoor nodig was om her en der oude meubels op te halen. Het behang verdween. De kale muur bepaalde de sfeer. De laatste tijd werden ook andere zaken geopend. De uitbaters hadden eerder de tijdschriften op het oog waarin voorzichtigjes de nieuwe trend werd gesignaleerd. Dus kregen de armoedzaaiers last van trendy publiek.

Eigenlijk was er gewoon nog niemand. En zij die er wel waren behoorden tot het, hoe heet het, personeel was zo’n oncool woord in deze omgeving, het collectief, ja, met twee keer een k geschreven. Je kon zien dat ze de hele nacht hadden doorgefeest en net wakker waren. Gerinkel van bierflessen klonk uit de deuropening naast de bar. Uit de luidsprekers fladderde een technodeuntje. Voor de inrichting was de keuze van het kollektief op zwaar eikenhout gevallen. Een zetel van leer met scheuren, een ribfluwelen fauteuil met een donkere vlek op achterhoofdhoogte en een oranje salontafel van onbestemd materiaal kleedden het geheel af. De ramen waren vuil of de schemering onder de bomen was gewoonweg duisterder dan elders. Het rook naar gisteren en de dagen daarvoor. In het belendend zaaltje stonden een paar tafels die waren volgeladen met elektronisch goed waaruit een wirwar van kabels stak. A.B. maakte het soort muziek dat uitstekend kon passen bij een boek over avant-gardistische kunst in de Soviet Unie, 1921-1937. Niet dat iemand zich daar iets bij kon voorstellen.

Döblin daar had ik het over met A.B. En hoe ik weer eens aandrang kreeg op weg naar een voetbalwedstrijd. In dit geval was het de wedstrijd Hertha BSC tegen Eintracht Braunschweig in het Olympisch Stadion. Je moest altijd een stuk lopen van S-Bahn naar U-Bahnstation om de reis voort te zetten. Dan was je al in voormalig West-Duitsland. Onder je raasde het verkeer de stad in, of uit, over een vierbaansweg. En langs die snelweg, aan de overkant, een stuk hoger, stonden citroengele appartementgebouwen. In Duitsland was gewoon alles pompeuzer. De lui begonnen ook meestal meteen te schreeuwen, en van lange Stammtischavonden kreeg je vanzelf een figuur als een biervat. Daar zou het best wel eens aan kunnen liggen, dat die huizen zo plomp en groot waren. En geluidsvrij, mocht je hopen voor de bewoners. Ik liep links de Kaiserdamm op. Bij een matgroen huis, zo’n mooi welgesteld vooroorlogs huis waarin plaats was voor wie weet hoeveel families, zag ik een gedenksteen. Alfred Döblin had er in de jaren 1930-1933 zijn praktijk. Piesen kon ik bij een pizzeria. Ik bood ze vijftig cent aan, voor het gebruik van het toilet, maar dat wuifde de ober, een Italiaan, weg. Aardige mensen.

A.B. keek me een beetje meewarig aan. Hij begon over Nabokov, en diens vader. En toen hoorde ik me toch een eigenaardig verhaal, zeg.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Het Einde van Melancholie en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s