Dovemansoren

Het laatste bezoek aan het Olympia Stadion in Berlijn was weer van een tijdje geleden. Hertha BSC speelde tegen Borussia Mönchengladbach. De Borussen, getraind door Hertha’s ex Lucien Favre verbaasde vriend en vijand met vliegensvlug uitgevoerd combinatiespel, waarbij de bal meestens een keer geraakt werd. Het vorige seizoen nog maar nipt aan de degradatie ontsnapt door in de beslissingswedstrijden Vfl Bochum tot een verder verblijf in de tweede Bundesliga te verdoemen, stond Gladbach nu bij de eerste drie van de Liga. Hertha niet.

Om wat voor reden dan ook was ik pas om kwart over twee op de Hermannsplatz het metrostation ingedoken. Murphy’s law zorgde vervolgens voor de rest; wachttijd reeg zich aan wachttijd. Om tien over drie stond ik aan het eind van een hele lange rij. De wijzers van de klok op de grote pilaar bij de ingang bewogen sneller naar en voorbij het aanvangsuur dan ik naar het draaihek.

Reden voor de vertraging was Bengaals vuur dat de vorige competitiezaterdag ergens bij een wedstrijd in het westen van het land voor illegale stemming had gezorgd. Een andere, misschien nog wel belangrijkere reden was de discussie over geweld in het stadion die daaropvolgend een hele week lang in de media had gewoed.

Om dan het stadion binnen te lopen en iedereen gespannen de wedstrijd te zien volgen, op weg naar mijn plaats de zoveelste golfbeweging van bezoekers die opstaan en weer gaan zitten te veroorzaken, dat alles zorgde voor een gevoel van ontheemd zijn, dat pas na een tijdje zou verdwijnen, en in dit geval eigenlijk helemaal niet, de hele wedstrijd niet. Ik was omringd door dranklustige Gladbachers, die doorlopend opstonden, zich naar hun vrinden omdraaiden, iets riepen, weer gingen zitten, dan toch maar opstonden en van hun plaatsen wegliepen, met tien bier in twee handen terug kwamen, waardoor ik half misselijk van het constante gedein over schouder, langs oor, tussen dikke jassen en onder gestrekte armen door blikkend het spel probeerde te volgen en tegelijkertijd ervoor op mijn hoede moest zijn, dat bij een volgend doelpunt van Reus niet de halve inhoud van een beker bier over me heen viel.

Dat zou me dus niet meer gebeuren. Mijn zitplaats was op rij drie, precies op de midden. Als ik daarvan weg wilde dan was ik zowel naar links als naar rechts de laatste in de rij. En op tijd zou ik ook zijn dit keer. Een uur voor de wedstrijd was ik binnen de poort, zo zag ik tot mijn schrik. Dat was wel wat vroeg. En aangenaam weer was het ook niet. De 31ste Maart 2012 zorgde voor het meest afwisselende weer dat ik op een dag had meegemaakt. Van bewolkt met regen, veranderde het naar zonnig met hevige windstoten, kwam er hagel, en weer eens regen en wolken en zo door, alsof een geheel seizoen aan weertypen op een middag voorbijdraaide. En het was koud.

In de vorige eeuw zou ik het wel hebben geweten. Dan was ik naar mijn plek in Vak K in de Meer gekuierd, was daar op een kuipstoeltje gaan zitten, had op mijn vrienden gewacht en ondertussen op mijn gemak naar de verschillende tribunes gekeken, hoe ze langzaam gevuld raakten, de bewegingen van de mensen daar, de spandoeken die werden opgehangen, strijdliederen die werden gezongen. Een half uur voor tijd kwamen de elftallen op het veld om zich warm te lopen. Dan kreeg je al een indruk van de opstelling, en wist je of een nieuw talent uit de A-jeugd meedeed. Niet in Berlijn in het jaar 2012. Daar hebben ze een geluidsinstallatie en grote beeldschermen.

In het uur dat ik heb volg ik bewust een schema om het wachten zo draaglijk mogelijk te maken. Ik loop drie keer het stadion in. De eerste keer ga ik naar de hoogste rij, omdat ik benieuwd ben hoe het uitzicht is van vijftig meter hoog en honderd meter van de speelveldrand verwijderd. Duizelingwekkend. Ik vraag me af waar Ome Adolf heeft gestaan, kijk naar de plaats achter het doel waar het Olympisch vuur heeft gebrand. Ik probeer te schatten hoeveel je ziet van een een hoogspringster, of een honderd meter sprint en bedenk dat die in close-up op het beeldscherm te zien zullen zijn. Dan wordt de herrie me te veel en verlaat ik de tribune.

Het stadion heeft een brede omloop. De muren zijn van graniet, hebben een lichte mokkakleur. Overal  hangen schemerlampen van duister metaal. Ze hebben de vorm van een toorts. Mogelijk waren die in 1936 werkelijk met olie gevuld en hebben voor een flakkerend licht gezorgd. Nog waarschijnlijker is, dat ze er alleen voor de sier hingen. Ook in 1936 ging de zon des zomers pas na tien uur onder.

Omdat het stadion heel erg groot is, maakt de gaanderij een hele flauwe bocht om de Ostkurve. Zo is het allemaal een stuk overzichtelijker. Het is nog niet zo druk hier zo. De meeste mensen staan onder op het stadionterrein waar bij iedere thuiswedstrijd een soort snack-village wordt opgebouwd: kleine kiosken met een donkerblauw dak waar snoepgoed, worst, patat of bier worden verkocht.

Ik loop tot aan het punt van waar ik zicht heb op het grote terrein dat voor de ingang ligt en zie dat de toeschouwers nu schouder aan schouder naar de draaihekken lopen. Aan deze kant staan de controleurs met hun gele fluorescerende hesjes. Om de haverklap verschijnt er iemand voor hun neus, die zijn armen spreidt en wordt afgetast.

Als ik de tweede keer de tribune oploop, zijn de spelers op het veld. Ze lopen heen en weer. De omroeper lawaait de voornamen van iedere speler in de microfoon. De supporters antwoorden braaf met de juiste achternaam. Als de echo van de laatste naam nog maar net is verstorven, worden de volumeknoppen verder opengedraaid. Muziek, of wat daarvoor door moet gaan, reclamefilmpjes, het gebulder van de omroeper, het is allemaal zo aantrekkelijk als de vijf minuten reclame waarmee privé-zenders iedere twintig minuten van een speelfilm onderbreken. Ik verdwijn de gang op; het wordt kouder, merk ik.

De drukte op de omloop is iets toegenomen. Tieners met een bijbaan laveren tussen de bezoekers, een groot blad met gevulde bierbekers voor hun buik. Vier Euro voor een halve liter is de prijs, zeven voor een liter, uit plastik. Ik vraag me af waarom dat zo duur moet zijn. In de muren zijn kleine toonbanken. Bier, snoep, worst, druk is het er niet. Ik leun op de balustrade. Het Olympisch zwembad staat droog. De wolken zijn niet bijzonder, het zicht op de stad met de televisietoren als duidelijk ijkpunt is een beetje gruizig: eigenlijk is het een dag om binnen te zitten. Over vijf minuten begint de Sportschau. Ik moet zien dat ik nog zeker vijfentwintig minuten doorkom.

Ik loop een stuk verder, dan is het ook een langere weg terug. Bij het keerpunt leun ik weer op de balustrade. Daaronder staat een half treinstel van de Duitse Bahn, een demonstratiemodel uit bordkarton. Hostesses kleumen met een glimlach, delen foldertjes uit. Aan de zuidzijde van snackdorp is iets gaande op een podium, ook donkerblauw. Twee volwassen mannen staan er op, een van hen heeft een microfoon. De microfoon is via een versterker met luidsprekers verbonden. De luidsprekers zorgen voor een behoorlijk volume. Het tafereel heeft zes toeschouwers, die zich hoogstwaarschijnlijk net zo verveeld als ik afvragen wat daar nu eigenlijk gaande is. “Hoe heet je?” “Maximiliaan.” “En verder?” ”Maximiliaan.” “Hoe oud ben je?” “Tweeëndertig.” “Ach werkelijk?” Maximiliaan heeft een prijs gewonnen, een Hertha-vlaggetje. Het wordt hem door een hostess overhandigd, die speciaal voor dit ceremonieel uit de coulissen tevoorschijn kwam. Maximiliaan stapt zwaaiend met het vlaggetje het podium af. De volgende kandidaat is Florian uit Marzahn, een dikkige puber.

Hoe zou het hedendaags leven eruit zien als het aan de hand van dit soort archeologische vondsten wordt gereconstrueerd door een groep wetenschappers en studenten, die zich speciaal daarvoor maandenlang afzonderen in het Teutoburger woud of zo? Je hebt van die series die in gereconstrueerde middeleeuwen spelen, of in de ijstijd. Op dezelfde manier zijn we ook veel van de Neanderthaler te weten gekomen.

Brr.

Nu komt het er op aan zeer uitgekiend te treuzelen. Het is drukker en ik hoef niet persé naar mijn plaats te ijlen, kan ook achter een paar ruggen aan blijven lopen in plaats er met een noodgang aan voorbij te schieten. Dat het zo ver met me heeft moeten komen. Daar is de WC. Het bezoek daaraan zal in een paar bedruppelende minuten resulteren. Vooruit met de geit. Als ik weer buiten ben, na er nogmaals bij stilgestaan te hebben hoe de toiletten in hun originele ontwerp er uit hebben mogen zien, plak ik de iedere keer terugkerende observatie er aan vast dat dit alles hier met dat graniet en de brede omloop meer laat denken aan het flaneren op een pier of, in het midden van de stad, aan het pierewaaien over de wandelwegen van een boomrijke allee, dan aan stadionbezoek door het hedendaagse voetvolk. Ik bevind me in een decor voor dames en heren die gekleed gaan in donkere kostuums van zwaar textiel, veel hoeden en andersoortige veerbetooide hoofddeksels ook. Maar wat zou het. Over tien minuten begint de wedstrijd.

De bijverdiener die de kaarten controleert slaat geen acht meer op me. Ik loop door de korte gang en stop even op het bordes ergens twintig etages boven het speelveld. Ik zeg het nu even, omdat het feit me bij ieder bezoek ontgaat, hoogstwaarschijnlijk omdat ik me nauwelijks meer kan voorstellen dat de finale van de wereldkampioenschappen van 2006 in dit eigenste stadion is gespeeld: de laatste actie van Zidane, vooruit, de laatste actie van Zinedine Zidane heeft op dit veld iets links van het midden plaatsgevonden. Als er toen een atoombom boven het stadion was ontploft, dan zouden de schaduwen van Zidane en Materazzi voor immer en eeuwig in de aarde zijn gebrand. De volgende keer zal ik daarbij stil blijven staan. Nu niet. Vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig en dertig, vlug zitten, en vlug opstaan. Ju, wat is dat koud.

Ik leg mijn sjaal op de zitting. Zo, dat warmt iets. Op het videoscherm is te zien dat de elftallen uit de kleedkamer komen, en o wonder, plots klinkt reclamefilmdreun, noch massamuziek of omroeper, er ontstaat zowaar zoiets als stadionatmosfeer. Het gezang van één vak één met Wolfsburgers verijlt in het grote stadion. De Ultra’s van de Ostkurve hebben een choreografie uitgedacht. Armen over elkaars schouders wiegen ze heen en weer. Dat lukt a-synchroon zodat een geinig patroon ontstaat van supporters die op iedere rij net iets anders heen en weer wiegen, en, dat is het mooiste, tegelijkertijd “OOOOOO” zingen, langzaam in volume aanzwellend, zeker een paar minuten lang. Plots wordt het afgebroken. De horizontale beweging gaat over in een verticale. Het hele vak huppelt en vuurt de thuisclub aan bij zijn naam: Hertha-Hertha. Dat duurt een minuut ongeveer, en dan is het afgelopen. Ik kijk om me heen, zie dat de meeste toeschouwers nu pas het stadion binnenkomen. De geluidsman gooit er maar weer eens een deun tegenaan: De inleiding tot de Ouverture. Van de Ouverture zelf, de Frank Zander variant “Nur nach Hause” van Rod Stewart’s “Sailing”, mogen de fans de laatste strofe alleen zingen, zonder dat de muziek meedoet. Dan wordt er afgetrapt. Ik ben doodmoe.

Altijd al willen weten hoe Felix zijn elftallen laat spelen. Wolfsburg houdt het speelveld heel erg klein, tussen de voorsten en achtersten zijn er hooguit twintig meter. Hertha oefent meteen druk uit, speelt de bal niet op zijn van Gaals eindeloos rond, probeert op het overbevolkte middenveld via steekpasjes de snelle voorwaartsen te bereiken. Twee grote kansen in de eerste zeven minuten en een doelpunt in de vijftiende zijn het resultaat. Ik heb het vermoeden dat Wolfsburg Hertha de punten wil schenken. Heel Wolfsburg? Nee, de ex van dienst Dejagah maakt van zijn tegenstander brandhout en stookt er een gelijk een vuurtje mee. Dejagah is een mannetjesputter, zijn tegenstander Bastiaans, blond en een kop groter, ziet er slungelachtig uit, kan hem nauwelijks bijbenen. Zoiets stoms heb ik nog niet zo vaak gezien in het echt. Dejagah begint te rennen en Bastiaans rent mee, en zodra de achterlijn wordt bereikt, komt er een messcherpe voorzet. Die van de zesentwintigste minuut schiet verdediger Jancker uit arren moede in eigen doel. Een tiental minuten later rent Dejagah weer met de bal langs de lijn. Bij de hoekvlag blijft hij staan, beweegt zijn rechtervoet, alsof hij de laatste druppels afschudt voor zijn broek op te halen, en provoceert zo een schopje van Bastiaans. Vrije trap. Patrick Helmes schiet voor zijn man, raakt de bal net genoeg om hem, voor de keeper langs, naar de verre hoek te lenken: doelpunt. Arme Patrick kan niet anders, maakt een beetje autistische indruk op het veld, interesseert zich pas voor de bal als die twintig meter voor het doel in zicht komt.

Plots gaat een golf van opwinding door het vak. Sneeuwvlokken vliegen ons om de oren. We zitten toch overdekt? Ik draai me om. De sneeuw wordt door de niet al zo brede opening onder het dak naar binnen gejaagd. In het lichtschijnsel hoog boven het veld ontstaan sneeuwvlokformaties, die aanschouwelijk maken hoe leven is ontstaan uit het gewoel der materie. Wat nu extra opvalt bij deze tijdelijke verduistering zijn de zes spelers die oranje fluorescerende schoenen dragen. Minutenlang zie ik alleen die oranje vlekken op het veld en gaat het spel compleet aan me voorbij. Bij Rukavytsya’s ongeveer achtste onzuivere pass over tien meter schiet ik weer wakker. Nikita, zo heet Rukavytsya van voren, speelt voor Australië. Dat zeg ik bijna hardop tegen mezelf iedere keer als ik hoor dat hij meedoet. Ik zeg dat uit ongeloof. Hij kan wel hard rennen. Kijk, daar gaat hij. Jammer dat hij zich keer op keer vastloopt. Net zoals zijn collega aan de overkant trouwens: Ben-Hatira. Die twee doen me denken aan tekenfilmfiguurtjes die met duim en wijsvinger aan het stof van hun truitje worden opgetild en dan heel koddig, vlak boven de grond met de beentjes trappelen.

De tweede helft begint net als de eerste. Hertha dringt aan, en Wolfsburg reageert gelaten. Dejagah is verteld zich gedeisd te houden, heeft nu trouwens met Kobiashvili te maken, die een oud jachtgeweer met zich meedraagt. Ik heb nog steeds de indruk dat Wolfsburg Hertha de punten gunt. In een echt voetbalverslag had ik in de zin hiervoor ‘de Oude Dame’ geschreven in plaats van ‘Hertha.’ Ramos en Lasogga missen twee gigantische kansen. De een is Columbiaans international die helaas enkel in de verte aan Asprilla herinnert, de ander staat bij Jong Duitsland in de spits. Zeg niet dat het de thuisclub aan kwaliteit ontbreekt. Raffael, een combinatie van Kluivert en Romario en al jaren depressief, door Favre gehaald en door dezelfde een toekomst in het Braziliaans elftal voorspeld, speelt iedere keer weer drie of vier spelers van Wolfsburg uit, en merkt aan het eind van die acties dat zijn medespelers nog steeds niet aanspeelbaar zijn.

Dan krijgt Helmes de bal, die kromt zijn schouders, loert naar het doel, ziet een opening van dertig centimeter en scoort. Niet veel later lukt het zijn collega uit de ander hoek van het strafschopgebied: Mandzukic. Die heeft iets van Lendl trouwens. “Het publiek verlaat in grote getalen het stadion.” Op het veld toont alleen Kobiashvili nog karakter. Hij is de aanvoerder. Lell begint een privé-veldslag met Jiracek, zo een typische tachtiger jaren Tsjech die ’s ochends naar bier en gegrilde worst stinkend uit de kroeg rolt en de middag erop zijn tegenstander gek maakt. Lell velt hem met een hoek in der Kampf gegen den Abstieg, maar ook omdat hij het niet pikt om bij een 4-1 achterstand tussen de benen te worden gespeeld.

Vlak na het laatste fluitsignaal is het heel erg duister op de vakken, betonduister. De omroeper meldt zich, wenst iedereen een behouden thuisreis. De muziek gaat weer aan. Eigenlijk wil ik naar het veld staren, naar de Wolfsburgers die samen met hun fans vieren, maar het verwaaide luidsprekerlawaai en de klote-muziek zijn niet om uit te houden. In de overvolle metrowagon wordt door een hese fan het lied gezongen dat eigenlijk na de wedstrijd uit het hele vak had moeten klinken. Het is het strijdlied van het vorige seizoen waar in de laatste regel verzekerd wordt dat “we” weer promoveren.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in op de tribune en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s