De Dingen Die Voorbijgaan

In Spanje zag je het spandoek in ieder stadion. “John” stond erop geschreven, en nog iets dat in het felle zonlicht niet goed te ontcijferen was, en na een tijdje toch, omdat er vrij vaak over rechts werd aangevallen, en in die hoek het spandoek omhoog werd gehouden. “John 3:16,” een verwijzing naar de Bijbel, waar te lezen viel dat God de wereld zo zeer lief had dat hij zijn eniggeboren zoon .. en bla.

Brazilië speelde, dus ik dacht dat Zico werd bedoeld, die was heel erg goed, althans zo ging het gerucht. Toen ik het doek bij een andere wedstrijd zag, dacht ik nog aan een zeer overtuigde fan, want Brazilië speelde deze keer niet. Dat had wel wat, vond ik, je favoriet aanmoedigen, terwijl hij helemaal niet op het veld stond. Maar het “John 3:16” was zoiets als een papier dat onder de schoen van Charlie Chaplin kleefde. De camera bleef er bij iedere wedstrijd tijdens dat WK van 1982 aan hangen.

De evangeliseerders hebben hun werk goed gedaan. Tegenwoordig zie je geen voetballer die niet bij het juichen twee vingers ten hemelen richt of op zijn minst een kruisje slaat bij het betreden van het veld.

Een theorie dat het katholicisme zonder veel problemen door de Zuid-Amerikaanse inheemsen werd overgenomen, was dat het nieuwe geloof voor wat betreft het centrale deel ervan niet zo gek veel verschilde van de oude kult. God die zijn zoon offert in plaats van een hogepriester of sjamaan die een mens offert, biedt weliswaar minder spektakel, maar de verlossing is er niet minder om. En het bloed bleef vloeien; de allerdevootste gelovigen sloegen en slaan nog steeds de huid op hun rug aan flarden.

Het mensenoffer is uit onze cultuur verdwenen, afgezien van de wekelijkse zevenknaller in een ver islamitisch land die met het beeld van honderd maagden voor ogen zich uit deze wereld blaast. Maar is dat nu echt zo? Stelt U zich toch eens voor U haat de paardensport. En om deze nachtmerrie nog erger te maken, de paardensport is zo populair als het voetbal. Drie miljoen Nederlanders doen actief aan dressuur, military of die cross country met zo’n koets. Bij wereldkampioenschappen ligt op iedere straathoek hooi. En nu komt het allerergste: tijdens de Olympische spelen, Nederland heeft al acht gouden medailles binnengehaald, ligt U of Uw vrouw in barensweeën. De tiende medaille wordt veroverd, een absoluut record, en Uw zoon komt ter wereld. Niet Ivanhoe zal hij heten, die eniggeboren zoon van U.

Tonio heette de zoon van de Brabander Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden. Toon of Tonny is een vrij gangbare naam in het Brabantse. Adri of Addi ook. Mijn familie komt uit die contreien; ik heb twee ooms die zo heten. Toon Krüger, je ziet hem bijna zijn debuut maken voor PSV. Maar dat gaat niet. Toon, zeg maar Tonio Krüger is de naam van een romanheld van Thomas Mann. Thomas Mann is weer de schrijver wiens stijl van der Heijden heeft opgezogen als een spons. Opzuigen, uitknijpen: niet met wijn doen, tenzij je hebt gemorst, of toevallig aan een kruis hangt.

Ik hoorde ervan op de radio hier in Duitsland, dat Tonio van der Heijden tijdens een fietsongeluk om het leven was gekomen, een zware slag voor de ouders. Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden zette het meteen op een schrijven. Een requiem zou het worden, of schrijf je dat met een hoofdletter? Zeshonderdenzeventig pagina’s en zestieneneenhalve maand later wordt de Duitse vertaling van Tonio een requiemroman besproken. Ik luister mee.

Nu had ik met het proza van van der Heijden hetzelfde als met paardensport. Na drie minuten wist ik dat het me geen zier interesseerde. Van der Heijden en de paardensport hebben hun fans. Dat is voor mij geen reden om alleman en paard te haten. Haat is een energievretend tijdverdrijf. Je kunt het beter laten.

Van der H­­­­eijden haat het voetbal. Tja. Zijn zoon werd geboren in het jaar dat Nederland het Europese Kampioenschap won. Hij kwam om het leven luttele weken voor de dag waarop Nederland de finale tegen Spanje verloor. Van der Heijden verbond daar conclusies aan, zo vertelde de bespreker. Kijk maar: Geboorte -> winst, Dood -> verlies.

Als in Amsterdam de oranjemeute feest viert en Die Elftal door de grachten vaart, vatten Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden en zijn vrouw de moed op om voor het eerst sinds het ongeluk de plek te bezoeken waar de zoon het leven heeft verloren. Een prachtig moment voor de verfilming, een dieproerend ogenblik voor de ouders, een imposante dissonant voor de literatuurwetenschapper. Ook de boekbespreker bekent meerdere malen te hebben  gehuild.

Adrianus Franciscus Theodorus van der Heijden heeft zijn zoon verloren. Dit verlies heeft hem desondanks de kracht gegeven een boek te schrijven, dat nu bij het verschijnen ervan, althans in Duitsland, alom wordt geprezen. Het verwerken van het verdriet zal voor hem de belangrijkste reden zijn geweest. Althans dat hoop ik voor Adrie en half Nederland, want als het hem hier om het scheppen van een groots tijdloos werk van literatuur is gegaan, een monument voor zichzelf en zijn zoon, een bijzetting in het Mausoleum der Kunsten, dan is de man echt geschift. En niet alleen dat: het offer Tonio van der Heijden heeft de mensheid de requiemroman Tonio gebracht.

De conquistadores trokken door Zuid – en Midden Amerika in het gezelschap van een bankier, een geestelijke en een opschrijver. De civilisatie die ze veroverden had een grote plaats ingeruimd voor het mensenoffer. Als offer werd niet de eerste de beste gekozen. Hoe belangrijker, schoner of maagdelijker het offer, hoe groter de uitwerking ervan. Officieel heette het dat de Goden gunstig gestemd moesten worden. Tegenwoordig weten we dat je van tegenslagen, met de juiste mentale kracht, sterker wordt. Rampen die een grotere groep treffen, hebben als uitwerking dat bijzondere saamhorigheid optreedt.

De boekbespreker vertelt dat Tonio tijdens een vakantie Robin van Persie ontmoet. (“Mag ik U ook nog eens inschenken, Majesteit?”) Dat is jammer. Het was beter geweest als hij Robert Enke was tegengekomen. Die twee hadden wellicht nog iets voor elkaar kunnen betekenen. Op zijn minst kon er in de grote getijdenstroom der toevallen een andere golf zijn ontstaan.

Bijvoorbeeld: Enke verlaat op een avond zijn huis. Hij vertelt zijn vrouw dat hij een beetje hoofdpijn heeft. De frisse lucht zal hem goed doen. Zijn vrouw vraagt hem van het tankstation een zakje gummibeertjes mee te nemen. Robert mokt, het tankstation is aan de andere kant van de spoorwegovergang. Eigenlijk wilde hij niet die kant op. Als hij het spoor nadert, hoort hij het hamerende waarschuwingssignaal. Hij loopt sneller. Robert Enke voelt een diep eenzaam moment lang de drang zich voor de trein te werpen, ziet dan ineens het gezicht van die Nederlandse knaap verschijnen, hoe heette hij .. Tonio. Hij herinnert diens levensvreugde, de voorspelling dat Nederland en Duitsland elkaar in de finale zouden ontmoeten, zijn eigen belofte hem het wedstrijdshirt op te sturen. Enke maakt een beweging, een reflex, alsof hij een schot van Robben naast tikt en wacht met oversteken totdat het rode licht gedoofd is. Er kan nog een trein komen.

Robin van Persie ging dus, die bovendien een beetje geblesseerd was dat hele WK lang, en Enke niet. Zijn dood heeft geen invloed gehad op de prestaties van het Duitse elftal. Enke’s club Hannover 96 daarentegen verbaasde vriend en vijand in het seizoen volgend op de suïcide, werd vierde en plaatste zich voor Europees voetbal.

In de dagen na de bespreking op de radio, bekeek ik een paar digitale bladzijden. Zo zag ik ook de omslag van de requiemroman. Er op afgebeeld is een jonge man in overbekende Oscar Wilde pose, pafferig gezicht en donkere lokken inbegrepen. Misschien is het de zoon. Afgezien van de mengeling van afschuw en fascinatie die over me komt, stel ik ook vast dat een beetje schrijver niet op de dood van zijn eigen zoon wacht om een dergelijk boek te schrijven, maar het personage verzint, fictie dus, zoals je wel vaker tegenkomt in een roman.

Hier is dus iets anders aan de hand. Laten we zeggen dat het om een tijdverschijnsel gaat. Het bitterzoete lijden wil door grote delen van de bevolking gedeeld worden. Dit betekent dat de omstandigheden inmiddels zo zijn dat er in het centrum van dit gevoel plaats is voor een persoon op wie dit lijden zich kan richten. Van der Heijden en zijn boek hebben de aandacht gericht op de zoon wiens dood als offer kan worden begrepen. Ineens begrijp ik waarom er zo een fascinatie uitgaat van de vaak in witte jas geklede Wilders. Hij is het perfecte offer. In feite wacht ieder op zijn dood om zich aan de daaropvolgende opwinding te verlustigen.

Het kan ook iets minder. De tranen van van Hanegem in 1978, die van Bosman in 1990 en Gullits weigering om te huilen in 1994, ook al deed interviewer Frits Barend het hem voor, bewijzen dit. Ook Hugo Borst’s hetze tegen Wesley Sneijder in 2010 was een roep naar een offer.

In de loop van het komend jaar zullen de discussies weer los barsten. Het Nederlands Elftal heeft het geluk dat Bert van Marwijk niet door de media gemaakt is tot wat hij is. Een offer hoef je van hem niet te verwachten. En als straks de schoonzoon niet meedoet, is dat, omdat die te langzaam is.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in op de tribune en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s