Het Einde van de Melancholie – De Weg naar Baudet

Het idee is van haar. Zij zal tegen haar vriend Jesse zeggen, dat ze hem gewoon eens moet uitnodigen om langs te komen. “Astrologisch gaan jullie heel goed met elkaar, ook qua Chinese dierenriem.” “Hm,” zal Jesse zeggen, omdat je qua literatuur altijd veel humor moet stoppen in dit soort dialogen. Voor de actualiteit, en om het beeld op de juiste manier af te ronden, moet je er bij schrijven, dat hij ‘hm’ zegt terwijl hij op het scherm van zijn iPhone tuurt. Zij praat rustig verder, uit de keuken nu, zegt dat ze hem gisteren nog bij de Albert Heijn had gezien, en dat het best wel meeviel met wat hij in zijn mandje had gestopt. “Hij was heel charmant tegen de cassière, en die was Marokkaanse, Khadija, je kent haar wel, dus met die homeopathie van hem valt het ook wel mee.”

Ik heb die speech ook gezien, op youtube. Nu ik zestig ben, merk ik van mezelf dat ik in steeds meer onzin geinteresseerd raak. Ik vond het eerlijk gezegd honderd procent meevallen. Het had uiteraard heel nadrukkelijk iets van een programma dat nog niet bestond, of ooit buiten mijn medeweten werd uitgezonden, en dat ik had gemist, omdat ik toen nog geen zestig was: Holland’s next prime minister, bedoel ik. Nederland’s volgende minister-president. En daar was Thierry als winnaar uit de bus gekomen. Een van de boni van het programma was dat je in de tweede kamer een speech mocht houden. Deed die. Huppelend het gangpad af, knoopje dicht, gekleed jasje, dribbelend het trapje naar het katheder op, knoopje open, jasje los, en vol erin. In vloeiend latijn. En daarna de vijf punten waarin de “hoe dan’ vraag meteen werd beantwoord. Leunend op de linker onderarm, dan op de rechter, niet te nadrukkelijk de tekst lezen. Zag er goed uit. Ik geloof dat hij oprecht verbaasd was dat er aan het eind geen ovationeel aplaus klonk. De kamervoorzitster was duidelijk vertederd. “U mag weer gaan zitten.”

Afgezien van enthousiast was de voordracht behoorlijk leeg. Het was dezelfde soort leegte die de boeken van Giphart of Grunberg kenmerken. Baudet zal geen enkel moment van zijn intellectuele apropos worden gebracht bij het lezen van een opiniestukje van Arnon. Daarvoor is dat gebabbel veel te, ik wil het niet zeggen, maar doe het toch, dom. Die jongen mist iets. Zwagerman was van hetzelfde kaliber. Van Grunberg en Giphart geloof ik nog dat ze de boel in de maling nemen, maar er wel lekker hun geld mee verdienen. De arme Joop geloofde in de lof die hem van zijn jongste jaren werd toegezwaaid. Als die jongen nu gewoon leraar Nederlands was geworden in Alkmaar, dan was hij nu een gelukkig man geweest, en razend populair bij zijn leerlingen. Deze generatie onbenul heeft meegeholpen het geestelijke klimaat vorm te geven waarin Baudet opgroeide. En dan krijg je dus een leerling van de middelbare school die in de tweede kamer zijn werkstuk voorleest.

“Hij noemde jouw naam, Jesse. Volgens mij mag hij je wel.” “Hm.”

Maar, wat hij ook zegt of doet, of hoezeer er over hem wordt zwart gesproken, het blijft niet aan hem haken. Dat heeft misschien met die leegte te maken. Misschien. Ik vermoed dat het er ook mee te maken heeft dat hij iets aandoenlijks heeft, van iemand die het reuze goed bedoeld, maar het allemaal heel erg ongelukkig brengt. Het doet denken aan een jonge hond, die net een paar maanden de puppyleeftijd is ontgroeid. Die weet nog niet wat hij van achter doet als hij van voren geaaid wil worden, en dus met zijn staart koffiekopjes en gebak van de tafel veegt. In het park rent de jonge hond van de ene picknickdeken naar de ander, ravot met verschillende honden, rent dan deze, dan de andere bal achterna, zo leuk, met die flappende oren, en iedereen denkt dat-ie bij iemand hoort, maar aan het eind van de avond kijkt de rakker naar de sterren, en zoekt tenslotte een plek onder een struik waar hij in slaap valt, pootjes over elkaar, snoet erop.

Baudet is grappig, zonder dat hij het zelf wil. Maar hij weet het wel, anders zou hij er niet zo guitig bij kijken. Hij is ook voortdurend op de televisie, en dat medium staat hem goed. Nu nog denken de kiezers dat hij in de buurt van Wilders rondhangt. Maar dat is niet zo. Over vijf jaar zeggen de meisjes, de jongste kiezers tegen Geert: “Ja, hoor opa, het is goed zo” en lopen door, blond haar, kort haar, zwart haar, kroeshaar. Alsof die zich überhaupt met zoiets sufs als ‘culturele achtergrond’ zullen bezighouden. Wilders hangt rond in zijn youtubekastje en spreekt vandaar als een boze hoofdmeester. Over dezelfde vijf jaar zijn de Aziatische trekken in zijn gezicht definitief zichtbaar. En of dan iemand die de keizer van China doet, de lui in Nederland even kan vertellen hoe ze hun land op orde moeten krijgen? Ik denk dat die hoogbegaafden van rechts hem al pindapindapoepchinezend enkele reis naar zijn land van herkomst wensen. Dat wordt lelijk oud worden straks, zo in zijn eentje in de kamer.

“Heb je van die millennials gelezen, dat ze niet stemmen? Die zouden jullie met zijn tweeën allemaal kunnen krijgen, en dan volgt de rest vanzelf.” Ze spreekt eigenlijk meer tegen de verse groente die ze snijdt. “Wat zei je schat?” “Of je worst lust.” “Is het die van Greenfields?”

Jesse staat in de keuken. De tafel is gedekt. “Voor vier? Wie komen er?”

“Verrassing.”

Het is inderdaad een verrassing voor Jesse, als hij ziet dat Thierry Baudet de gast is. “Hé Jesse, groen hemd deze keer? Staat je goed, man.”

Later die avond in de woonkamer valt Thiery’s oog op de playstation. Hij hurkt ernaast. “Fifa17, cooool. Heb ik ook. Welk level ben je?”

“Pro.”

Thierry is sinds kort ook ‘pro.’ Een paar wedstrijden heeft hij al gewonnen, maar iedere keer als hij tegen Ierland speelt, wordt hij ronduit in de pan gehakt.

(Spoiler alert: Jesse Klaver.)

“Ben jij dat!”

Niet veel later zitten beide jongemannen onderuitgezakt op de bank. In de keuken neemt Jesse’s vriendin tevreden een slok van haar wijn. Ze weet dat er een klein scheurtje is ontstaan in het ruimte-tijd continuum. Het volstaat om Nederland’s gouden eeuw 2.0 binnen te stappen. De kolonisatie van Mars, het up-and downloaden van gedachten, postdronen en vliegende auto’s, ja zelfs een holografische 3d print van een negentiende-eeuws tuinfeest is mogelijk. “En op mijn zeventigste uitzien als een mooie vrouw van veertig.” Ze klakt met haar tong en loopt de kamer binnen. “Willen jullie nog wokkels?”

Baudet en Klaver winnen de volgende verkiezingen grandioos. Ze gaan een uniek experiment aan en worden samen minister-president. Aan het einde van hun eerste regeringsperiode geldt het model als voorbeeld. De kinnesinne verdwijnt langzaam uit het land.

“Is dat niet Liebestraum van Franz Liszt?”

“Het is Wim Mertens, Thierry.”

 

Komt goed.

 

 

 

 

 

Advertenties
Geplaatst in Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Het Einde van de Melancholie – Iznogoedh

Het rommelt in het oosten. En dat gerommel heeft zelfs het bureau van de New York Times bereikt. Dus het moet wel iets serieus zijn, de belediging van een vreemd staatshoofd door Jan Böhmermann. In de krantenberichten beperkt men zich veelal tot de inhoud van het spotgedicht.

Het vier minuten en nog iets durende fragment is op internet niet meer te zien. Hoogstwaarschijnlijk worden er nu illegale versies op usb-stick of DVD onder de toonbank of in plantsoenen verhandeld. Mogelijk dat agenten het naar Turkije smokkelen.

Ik heb het wel gezien. Het is in feite een soort college over democratie en de wet inzake meningsvrijheid. Aanleiding was de kritiek van Erdoğan op een liedje dat zo stompzinnig is qua inhoud en deun dat je je afvraagt wat de man bezield heeft om daarop te reageren.

Maar hij reageerde, en maande mevrouw Merkel om stappen tegen dat lied te ondernemen. Het was beledigend.

Böhmermann legt in zijn sketch uit dat dit lied getoond mag worden, en spreekt daarbij Erdoğan rechtstreeks aan. Hij spreekt alsof hij het tegen een idioot heeft. Dat is satire, dus dat mag. Wie zich als een idoot gedraagt, moet niet verbaasd zijn als hij ook als een idioot wordt behandeld. Böhmermann noemt ook precies de wet die de vrijheid op meningsuiting waarborgt. Daarvoor heeft hij een assistent, die hij, tussen de regels door, consulteert. De assistent is het wettelijke geweten van de uitzending. Dan legt hij uit dat een beledigend spotgedicht niet mag. Hij herhaalt dit, en laat het door het geweten van de zending nog eens herhalen. Wat hij voorleest, mag niet. De boodschap is duidelijk. Erdoğan, tot wie hij zich nog steeds rechtstreeks richt, wordt uitgelegd wat het verschil tussen belediging en satire is. En om het heel erg duidelijk te maken, leest hij dus het gedicht voor.

iznogoedh

 

Twee weken later is de vertaling klaar. Erdogan zit in zijn gemakkelijke presidentiële stoel, neemt een dadel, laat het zoete sensuele vruchtvlees over zijn tong glijden, sluit zijn ogen, geniet en slikt. Zo, zegt hij, wrijft zich in de handen en laat zich verbinden met het Kanzleramt in Berlijn.

Terwijl in de dagen erna de discussie goed en wel op gang komt, voegt de reserve-president van Turkije het zijne er aan toe. ‘Misdaad tegen de menselijkheid.’ Ik vind dat een hele fijne vorm van humor. Als hij had gezegd, ‘misdaad tegen de medemenselijkheid,’ dan hadden misschien een paar feuilletonisten en twitterkroniekeurs gedacht dat ze in de maling werden genomen. ‘Misdaad tegen de menselijkheid’ kun je gewoon met een uitgestreken smoelwerk in de camera zeggen.

Bij alle ophef gaat men er aan voorbij dat er een directe lijn is van Böhmermann’s optreden naar de brave films die West Duitsland in de jaren vijftig produceerde. Daarin werden lieve meisjes en fidele jongens getoond die plezier hadden aan de nieuwerwetse rokkenrol uit Amerika.

Naar het brave autoritaire West Duitsland van die tijd vertaald, althans naar het beeld dat ik er van heb, zie ik een straat met twee-onder-een-dak vrijstaande huizen, een voortuin en goede straatverlichting. Uit een van de huizen klinkt luide muziek, gelach en gepraat. De rokkenroljeugd heeft een feestje. Waar, dat kun je zien aan de zee van licht die uit het woonkamervenster op de voortuin schijnt. Je ziet ook hoe om elf uur de buurman het pad oploopt en bij de voordeur aanbelt. Hij heeft zijn vrijetijdskleding aan. Morgen als hij in zijn DKW stapt en naar zijn werk rijdt, zal hij weer zijn pak aanhebben.

Hij wijst de zoon des huizes er op dat het elf uur is. Hij is voorkomend en spreekt zijn begrip uit, wijst erop dat hij morgen om half zeven moet opstaan. De jonge man accepteert zonder morren. Ze geven elkaar een hand. De buurman groet de knaap bij zijn voornaam, en de buurjongen wenst Herr So-und-so een goede nachtrust. Om kwart over elf is iedereen de deur uit. In de schaduw van een lindeboom geeft een stelletje elkaar voorzichtig een zoen. Hans, de zoon van apotheker Richter, brengt in zijn Volkswagen Astrid naar huis. Van Hans wordt gezegd dat hij bij het zoenen met een handbeweging de sluiting van de bustehouder kan openen. Over Hans en Astrid wordt nog meer gefluisterd. Om twintig over elf is achter alle ramen in de straat het licht gedoofd.

De inhoud van het spotgedicht, waar zo veel om te doen is, leek een collage van de grofste beledigingen die je in de commentaren in de jungle van het internet tegenkomt. De beledigingen waren handig geredigeerd en klonken beter dan bij de gemiddelde twitteraar. De boodschap is echter duidelijk. Het mag niet. Böhmermann, de kleinzoon van de jaren vijftig klopte aan bij de voordeur van het internet, en vroeg de jeugd of het alsjeblieft iets minder kon, een hele gewone burgerlijke reactie, zoals je die op TV kunt verwachten.

Het filmpje (compleet, zoals ik het hierboven beschrijf) is inmiddels by Dailymotion te zien.

En nu wil ik een liefdesgedicht lezen waarin staat dat je scheet schoner ruikt dan duizend anemonen.

 

 

Geplaatst in Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Einde van de Melancholie – De Zwager en de Buurman

Marc Overmans heeft gel in zijn haar. Marc Overmars heeft geloof ik al twintig jaar gel in zijn haar. Op onduidelijke foto’s, het soort dat in de jaren negentig van de vorige eeuw nog bestond, leek hij op Frans De Munck. Deze keeper, bijgenaamd de zwarte panter, had een prachtkuif. Die hield hij in bedwang met een lik brillantine. Toen ik nog haar had ben ik op zoek geweest naar een potje brillantine van Boldoot. Het waren de jaren van de punk en dan moest je haar iedere kant op pieken. Mijn toenige vriendin, als ieder volwassen wordend meisje geinteresseerd in tijdschriften die je fantasie over de grenzen van land en realiteit liet zweven, in dit geval de Franse uitgave van de Marie-Claire of de Vogue zodat het nog interessanter leek, wees me op een artikel waarin werd uiteengezet dat olijfolie goed voor je haar zou zijn. De hoogglans kreeg je er automatisch bij. Ik geloof nooit dat ze dezelfde olie bedoelde als die ik toen aanschafte, een éénliter kanister met olie uit Haifa. Die was heel olieïg, stonk een beetje bovendien. En dat smeerde ik door mijn haar. Ik heb het een paar weken volgehouden gedurende een hoogzomers seizoen. Marc was in dat seizoen nog een kleuter met hoogstens een beetje snot in zijn haar.

Ergens aan het eind van de jaren tachtig keerde de mode om allerlei troep in je haar te smeren weer terug onder de jonge mannen. Van scheerzeep tot motorolie, het maakte niet zoveel uit zolang het boven op je kop maar uitzag alsof een enorme stroomstoot door je lichaam was gejaagd. Maar daarnaast bestond ook de elegantere, louchere variant, die van de Hollywoodretro-mafioso. Ik moet handenvol glibberig spul door mijn haar hebben gesmeerd. Je kon de strengen bijna breken zo stijf stonden ze. Vraag me niet waar de invloed vandaan kwam, ik kan er slechts naar gissen. Op den duur werd het pathetisch, ook al vanwege de toenemende kaalheid boven op mijn kop. Op een gegeven moment ging alles er af, tot op de milimeter en dan heb je hoogstens nog olie nodig voor de tondeuse. Maar goed, ook Marc moest op een gegeven moment naar de pot met het haarvet hebben gegrepen. John Travolta in Grease kon hem op een idee hebben gebracht. Misschien heeft Marc al sedert zijn zesde gel in zijn haar en is de zorgvuldige handeling voor de spiegel te begrijpen als een soort ersatz-gebed. Daar hoort heel veel rust bij. Lees de wikipagina er maar eens op na. Niet over het begrip ‘Rust,’ in de voetballerij vooral bekend vanwege de polifunctionele uitleg die je er aan kunt geven, maar over het lemma ‘Emst,’ het kerkdorp op de Veluwe waar Marc ter wereld is gekomen en is opgegroeid. Daar zal hij tot het einde der tijden en ook erna als Marc worden begroet. Door zijn zwager en door zijn buurman. Je mag hopen dat Overmars, als hij het geboortedorp bezoekt, de auto in de garage laat staan en zich te voet of met een fiets verplaatst. In die streken schijnt immers altijd de zon.

londres-12-juin-1966-photo-getty-images-stan-meagher

Dat is een heel andere zon die in Giesing scheen in de nazomer van het jaar 1966. Duitsland was tweede geworden in een finale tegen Engeland, de wedstrijd met het beroemde schot van Geoff Hurst dat via de onderkant van de lat weer het veld in stuiterde. De Sovjet grensrechter zag geen doelpunt, maar sprintte toch achter zijn vlaggetje aan naar de middellijn. Het was ongetwijfeld een late wraakactie. Dat dit incident het hele WK van 1966 overschaduwt, is jammer, omdat gedurende het toernooi heel Duitsland mocht aanschouwen hoe een nieuwe tijd haar intrede deed. Het wonder van Bern geschiedde nog met spelers met steenkoolgruis in hun oren en oogwimpers, maar in Engeland liep de twintigjarige Beckenbauer. Met hem deed niet alleen het moderne voetbal zijn intrede, de Duitsers zagen glamour, zelfvertrouwen en ineens iets waarin geen enkel spoor van schuld of schaamte was te herkennen. Dat, de plotse uitdrukking van welvaart en de hoop op een onbezorgde toekomst, was wat Beckenbauer personificeerde. Toen hij Giesing verliet, was dat voor altijd, de wijde wereld in. De tijd voor zijn geboorte, in September 1945, lag ineens heel ver achter hem. Vijf maanden voor zijn geboorte werd in de gevangenis in zijn wijk de laatste veroordeelde gedood door de Nationaal-Socialisten; het was de laatste van twaalfhonderd die door de strop of de guillotine aan het einde van hun leven kwamen. Zesentwintig jaar voordat Franz Anton Beckenbauer ter wereld kwam, werd in de straten van Giesing gevochten, een heuse oorlog om de Radenrepubliek ten val te brengen. In die tijd kwamen ook de tsaristische en wit-russische vluchtelingen naar München, met daaronder de latere moordenaar van de vader van Vladimir Nabokov.

Vijf maanden voor de geboorte van Marc Overmars gebeurde er hoogstwaarschijnlijk niets in Emst. Ergens anders in de wereld, in de Andes stortte een vliegtuig met Nederlandse roots neer. En zesentwintig jaar voor zijn geboorte stierven elf mijnwerkers in een brand in de staatsmijn Hendrik in Brunssum. Mahatma Gandhi en Stalin waren nog in leven en het koninkrijk Roemenië zag zijn einde tegemoet. Het nieuws daarover konden ze in Emst in de krant lezen. In het dorp zelf kenden ze andere problemen. Het zou nog twee jaar duren voordat de firma Van Bergen te Heiligerlee de nieuwe luidklok van tweehonderdvijftig kilo kon leveren. “Op deze luidklok stond de volgende tekst: “De vorige werd naar ’t vuur verwezen, In haar plaats ben ik verrezen, ‘k Nood als zij met sterker klanken, Kom dan, kom dan om God te danken”.” zou Philip Markus hebben overgeschreven. De tijd is een vreemd elastisch begrip. Roem ook. Beckenbauer was als twintigjarige een van de beste spelers van het toernooi. Overmars was als twintigjarige de beste jeugdspeler van het toernooi in de USA. Dat tekent het verschil tussen een broekemannetje en een man van de wereld. Overmars werd in dat toernooi trouwens de maat genomen door Branco.

Tijdens het WK van 2006 verplaatste Beckenbauer zich met een helicopter. In het land van Waren de Goden Kosmonauten had dat een extra symbolische betekenis. Om het wereldkampioenschap naar Duitsland te halen moest Beckenbauer naar de Caraïben vliegen. Bij Jack Warner kon je voor een bom duiten zielen kopen. John le Carré zou er zomaar tweehonderd pagina’s aan kunnen besteden om het bezoek en de achtergronden te beschrijven en daarin de gerimpelde Warner als een soort Baron Samedi laten optreden. Zie je hem al zitten, de glans in de brillenglazen en daarachter de ogen die je vriendelijk maar toch ook een beetje spottend observeren? Broeiende hitte, de plafondventilator, een ronde dienstvrouw die het dienblad met daarop de kristallen glazen, een karaf met water op de tafel neerzet. Ze kijkt Warner kort aan. In een roman is alles waar. Dat kun je niet zeggen van de Bild Zeitung, die de actie van Beckenbauer onthulde. Maar het had waar kunnen zijn. Zoals het ook waar kan zijn dat er bij iedere spelerstransfer geld vrijkomt dat eigenlijk niet bestaat, maar via bepaalde kanalen dan toch weer wel. En dat gaat dan net zo goed op voor zielige bedragen bij een zes miljoen kostende transactie voor een speler van Heerenveen als voor de tweehonderdvijftig miljoen die in grote-mensen-landen wordt betaald. De buurman of de zwager zal na werktijd voorbijkomen en de wasmachine repareren, een ruit inzetten, en als de andere buren geen gluurders zijn, zal de onderhands betaalde rekening voor altijd buiten schot blijven. En alles zal verder zijn gangetje gaan.

Geplaatst in Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Berlijn Moskou – Spätkauf

Het kwam er niet meer van. Nog tijdens de soundcheck werd A.B. begroet door een bevriend echtpaar, oude bekenden zo leek het. Dat riekte bijna naar een gemeenschappelijke herinnering aan pioniersbijeenkomsten in internationale jeugdkampen. De man droeg een leren jack; een beetje slonzig haar hing in pieken over zijn sjaal. In vroeger tijden was dat misschien een Palestina-doek geweest. Iedereen had zo wel van die dingen waar ze liever niet meer aan dachten. De broek was gewoon zwart. Zij ging gelukkig niet als een oud meisje gekleed. Het was een leuke vrouw, fragiel. Je kwam ze wel eens tegen, van die vrouwen, bij wie iedere poging tot charmant zijn, in welk stadium van verleidingstechniek ook, al bij voorbaat strandde. Ze staken gewoon een hand uit, stelden zich voor, keken je daarbij met heldere lachende ogen aan en de verhoudingen waren daarmee meteen duidelijk. Dat dacht ik, terwijl ik naar haar keek en zag hoe ze A.B. allerhartelijkst begroette. Ze had pierogi’s voor hem meegenomen.

Ik zat in een legerdesheilsfauteuil die ooit goudgeel was gekleurd, zo’n stoel met franjes onderlangs. De patat mèt en de curryworst die ik op weg hierheen had gegeten bij een kleine ingemuurde patatkraam bij de ingang naar U-Bahnstation Heinrich Heine, bezorgden me een beetje het zuur. De halve liter Berliner bier, die al behoorlijk lauw was, maakte het er niet beter op. Een klein half uur later zat ik weer in de legerdesheilsstoel. Er was ondertussen een twintigtal personen, dat zich veelal bij de bar of buiten voor de deur ophield. Ik had een ijskoude Jever, niet veel beter, maar tenminste bitter. Het zuurbranden was verdwenen. Dat moest geen thema worden deze avond.

Het eerste optreden begon. Een jonge vent in een strakke broek, ontbloot bovenlijf, zat op de grond tussen de effectpedalen. ‘Kràk.’ Even leken de speakers eraan te zijn gegaan. Een beetje gefrunnik aan kabels, een luidere ‘kràk’ en plots boorde zich een hersenvliesscheurende pieptoon in de ruimte. Die weer abrupt afbrak. Het gerommel aan de kabels hield aan. De knaap toonde zich uiteindelijk tevreden. Het geluid van kokende modder klonk, laag, pruttelend en enigszins misnoegd. Dat ging een twintigtal minuten zo door, terwijl de artiest het ene na het andere effectpedaal indrukte, aan knopjes draaide, draden verwisselde, zonder dat het hoorbaar tot enige variatie leidde. Het eindigde zoals het begon, met een ‘kràk.’ Beleefd applaus volgde. Iedereen draaide zich met de rug naar het podium en liep naar de bar.

tumblr_lrtwkwF3Ng1qk9xvf

Ik bleef onderuitgezakt in mijn stoel zitten. Voor de pauzemuziek zorgde een ernstig meisje. Ze had een grote tas met oude langspeelplaten naast haar staan, speelde wat zo doorgaans in deze kringen werd beluisterd, maar wisselde dit ook af met krakend vinyl waarop vooroorlogse schlagers ten gehoor werd gebracht. Blijkbaar had ze onlangs een bak met oude langspeelplaten gevonden. De krassende Duitse liedjes bleken de rode draad. Ik moest denken aan de film Emil und die Detektiven, die ik op lagereschoolleeftijd had gezien. Die verfilming van Erich Kästner’s boek moest een van mijn vroegste Berlijnervaringen zijn geweest, ook al was ik er zelf niet bij toen de filmemil door de straten van het vooroorlogse Berlijn rende. Ik keek naar buiten, in de duisternis achter de vuile jasjes en ongeschoren koppen van de lui die daar hun bier dronken. Als ze nu maar niet met Lili Marleen op de proppen kwam. Het meisje bleef decent in haar keuze. Ik geloof dat ze afsloot met een opname van Mengele: “In Paris, in Paris sind die Mädels so süss.” Of misschien was dat een sample en stond het op een LP van zo’n hedendaags ‘project.’ Je wist het nooit zeker met die avant-garde.

Ik was ineens heel erg moe. Ik legde mijn hand over mijn ogen, alsof ik wenste dat iedereen na tien tellen zou zijn verdwenen. Maar ik wilde gewoon even mijn ogen sluiten, wegzinken uit mijn vermoeidheid. Boven mij woonde een IJslandse met een slaapstoornis. Dan ging ze midden in de nacht heen en weer lopen en dat klonk als bonkbonkbonk boven mijn hoofd. Om acht uur werd ik weer wakker gemaakt door bouwvakkers die met hun pneumatische hamers het stucwerk in de binnenhof verwijderde. Dat ging al maanden zo. Stoorgeluiden, ruis, ik keek tussen mijn vingers door en zag dat A.B. aan zijn optreden was begonnen. Hij probeerde contact te leggen met een verlaten satelliet. Ik meende Russische stemmen te horen. Misschien cirkelden radiogolven in een baan om de aarde. Je wist het echt nooit zeker met die avant-garde. Ik dacht aan D.èF. Met zijn vriendin was hij een paar dagen bij me te gast geweest. Ze waren geboren en getogen in Kiev. Hij had hemelsblauwe schoenen gedragen, zij gele. Ze hoorden niet bij een volksdansgroep. Ze hadden me over Tsjernobyl verteld, dat er in de dagen erna niets over werd vermeld: iedereen ging naar de 1 Mei parade kijken terwijl de radio-actieve wolk zich over het land verplaatste. A.B.’s Russische conversaties, die ons uit de ruimte bereikten, verplaatsten mijn gedachten. Een scène uit Tarkovsky’s film Stalker werd zichtbaar, van de telefoon die rinkelde. En ineens dacht ik aan een controlekamer die ook in die film aanwezig moest zijn, maar waar de camera nooit kwam. Daar werden de beelden gemaakt en vervolgens in ons leven geprojecteerd en wij dachten dat het allemaal echt was; ze hoorden immers bij onze herinnering. Veel kon ik natuurlijk niet zien, met een hand voor ogen. Ik moest op mijn gehoor vertrouwen.

Geplaatst in Berlijn Moskou, Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Berlijn Moskou – A.B. Nabokov

A.B. vond zichzelf geen experimenteel musicus. Sjostakovitsj, Stockhausen en  Schönberg waren experimentele musici; in hun werk herkende je de chaos waarin de mens was terechtgekomen vanwege de ondoorgrondelijke eigenschappen van het modernisme. Die chaos kon onmogelijk worden bedwongen. Ze moesten wel experimenteren. Hij zag voor zichzelf een link naar de punk, naar de vroege rock ‘n’ roll en over de horde van de tweede wereldoorlog heen naar de jaren 1870-1930. Het tijdsgebied lag ingeklemd tussen de presentatie van het periodiek systeem der elementen en de opening van de eerste Gulag. In die tijd namen kunstenaars een bestaan aan de rand van de maatschappij voor lief zolang ze maar konden schilderen of schrijven. En misschien konden ze niet anders, was hun existentie te vergelijken met het trappelen met de benen van de gehangene onder wie het valluik zojuist was geopend. Het kon ieder moment ten einde zijn. Na 1930 was iedereen op de vlucht.

Daarom vond hij de term ‘underground’ beter van toepassing. Ik was geen Rus en bovendien was ik nauwelijks bekend met wat zich in het existentiële schemergebied van de Sovjet-Unie had afgespeeld . Maar namen als Sacharov en Amalrik zeiden me toch iets? Ja, dat wel. Achter hen ging  een heel netwerk schuil tijdens de Brezjnevjaren. De politieke ‘underground’ was toentertijd misschien de meest glamoureuze. Daar had hij wel een punt. In die jaren verschenen hele opstellen in de westerse weekbladen, doordacht en scherp geformuleerd. De vrijheid van het woord werd gevierd. Wist ik veel dat dat vooral kon om druk uit te oefenen op het Oostblok, wellicht ook om de politici in die landen te jennen.

06bc3a3f8f13628cf2e5947dfe687290_full

Het hielp dat A.B. slechts vier jaar jonger was. Zodra je de vijftig was gepasseerd viel het leeftijdsverschil niet meer op. We hadden een lange weg door het laatste deel van de vorige eeuw afgelegd. Dus, vertelde A.B., het hele gebied dat werd vereend onder de noemer ‘underground’,- dat wat niet zichtbaar was, was vooral de zone waar de wetten langzaam hun invloed verloren. Ook de wet van de zwaartekracht, vroeg ik. Vooral de wet van de zwaartekracht! A.B. lachte en vroeg nog eens om twee bier. Nu nam hij ook een Berliner.

De armoedzaaiers hadden in de vroege jaren van de twintigste eeuw dezelfde lijnen als wij nu; ons kostte het tenslotte geen enkele moeite om een concert of onderkomst te organiseren in welk land dan ook. Het idee van de staat bestond nog niet, althans niet in zo’n esoterische zin als nu. Het idee van het hogere was veeleer aan een geestesstroming verbonden. Jullie eigen Marinus van der Lubbe trok er te voet op uit Europa in om het socialisme te vinden, alsof hij een figuur was uit een roman van Platonov. Het waren melodramatische tijden: moord, hoererij, diefstal, kindersterfte, de dingen luisterden niet zo nauw. Goedkope tochtige kamers werden door een vriend of een vriend van een vriend aanbevolen. Een tafel en een kapot bed, nauwelijks geld voor iets warms te eten, ja een schaal bonen of een bord soep soms. Je zat urenlang in een café omdat daar de kachel brandde. Van der Lubbe moest Berlijn hebben bereikt, omdat hij er onderweg over had horen praten en niet omdat iemand hem had gevraagd voorbij te komen en de Rijksdag in de fik te steken.

Peter Sjabelski-Bork werkte bij een uitgever in München, in 1921. En toen reisde hij naar Berlijn om een moord te plegen. Kijk, hij wel. Hem werd iets gevraagd. In München, waar iedereen vechtend over de straat rolde. De vader van Nabokov sprong ertussen toen er werd geschoten en werd ook maar meteen neergeknald. Leve de tsaar, riepen ze. Het was een oude truc. Zelfs onder gauwdieven en kleine kinderen maakte je het mee, het was altijd de schuld van de anderen. Die Sjabelski raakte nog bevriend met Rosenberg, de nazifantast die dacht dat de aarde hol was. En waarom raakten ze bevriend? Omdat Rosenberg ook een Rus was. Getweetjes behoorden ze tot de verliezende partij van de Oktoberrevolutie. Wel raar, trouwens, dat ze in Duitsland juist bij de winnende partij terechtkwamen. Die geschiedenis was niet zo belangrijk, zei A.B. Hij wilde uitleggen waarom hij geen experimenteel musicus was. We leefden in hetzelfde randgebied en gingen door dezelfde afgelegen straten. Hij stond op. Het was tijd voor de soundcheck.

Geplaatst in Berlijn Moskou, Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Einde van Melancholie – Experimentele fase

Mensen die bang waren dat de geur van de meubels in hun kleren zou dringen, kwamen hier niet. Er was sowieso nog weinig volk. Dat was niet zo verwonderlijk. A.B. was een experimenteel musicus. In het jargon dat binnen het experimentele milieu werd gebezigd, was de beschrijving ‘experimenteel’ een soort Ouroboros die, in dit geval, zijn eigen betekenis opvrat. In zoverre klopte de aanduiding dan weer wel. Maar goed, ook als je als geinteresseerde krantelezer en waarnemer van obscure blogs op de hoogte was van het discours, dan kwam je nog niet. Ook exponenten van de groeiende groep armoedzaaiers die de laatste tijd in Berlijn neerstreek, wier kleren en huid-en haargeur de meubels een nog ondoorgrondelijker parfum konden geven, zou je deze avond nauwelijks aantreffen. Daarvoor lag het gebouwtje iets te ver verwijderd van de gebruikelijke route.

Die route liep vooral door Neukölln. De straten waren schots en scheef, winkels en woningopgangen maakten een uitgewoonde indruk; de grove reclameplakaten hingen er veelal in flarden bij. De Turkse gezinnen kon je al tot de oorspronkelijke bewoners rekenen, hun winkels waren zonder opsmuk. De huren waren nog betaalbaar, zeker als je met zijn drieën in een woning hokte. In deze buurt wemelde het van de activiteit. Zo heette dat als ergens weer eens een voormalige woonkamer in een bar, galerie of eethuis veranderde. Aanvankelijk werd aan de inrichting niet meer tijd besteed dan het week-end dat ervoor nodig was om her en der oude meubels op te halen. Het behang verdween. De kale muur bepaalde de sfeer. De laatste tijd werden ook andere zaken geopend. De uitbaters hadden eerder de tijdschriften op het oog waarin voorzichtigjes de nieuwe trend werd gesignaleerd. Dus kregen de armoedzaaiers last van trendy publiek.

Eigenlijk was er gewoon nog niemand. En zij die er wel waren behoorden tot het, hoe heet het, personeel was zo’n oncool woord in deze omgeving, het collectief, ja, met twee keer een k geschreven. Je kon zien dat ze de hele nacht hadden doorgefeest en net wakker waren. Gerinkel van bierflessen klonk uit de deuropening naast de bar. Uit de luidsprekers fladderde een technodeuntje. Voor de inrichting was de keuze van het kollektief op zwaar eikenhout gevallen. Een zetel van leer met scheuren, een ribfluwelen fauteuil met een donkere vlek op achterhoofdhoogte en een oranje salontafel van onbestemd materiaal kleedden het geheel af. De ramen waren vuil of de schemering onder de bomen was gewoonweg duisterder dan elders. Het rook naar gisteren en de dagen daarvoor. In het belendend zaaltje stonden een paar tafels die waren volgeladen met elektronisch goed waaruit een wirwar van kabels stak. A.B. maakte het soort muziek dat uitstekend kon passen bij een boek over avant-gardistische kunst in de Soviet Unie, 1921-1937. Niet dat iemand zich daar iets bij kon voorstellen.

Döblin daar had ik het over met A.B. En hoe ik weer eens aandrang kreeg op weg naar een voetbalwedstrijd. In dit geval was het de wedstrijd Hertha BSC tegen Eintracht Braunschweig in het Olympisch Stadion. Je moest altijd een stuk lopen van S-Bahn naar U-Bahnstation om de reis voort te zetten. Dan was je al in voormalig West-Duitsland. Onder je raasde het verkeer de stad in, of uit, over een vierbaansweg. En langs die snelweg, aan de overkant, een stuk hoger, stonden citroengele appartementgebouwen. In Duitsland was gewoon alles pompeuzer. De lui begonnen ook meestal meteen te schreeuwen, en van lange Stammtischavonden kreeg je vanzelf een figuur als een biervat. Daar zou het best wel eens aan kunnen liggen, dat die huizen zo plomp en groot waren. En geluidsvrij, mocht je hopen voor de bewoners. Ik liep links de Kaiserdamm op. Bij een matgroen huis, zo’n mooi welgesteld vooroorlogs huis waarin plaats was voor wie weet hoeveel families, zag ik een gedenksteen. Alfred Döblin had er in de jaren 1930-1933 zijn praktijk. Piesen kon ik bij een pizzeria. Ik bood ze vijftig cent aan, voor het gebruik van het toilet, maar dat wuifde de ober, een Italiaan, weg. Aardige mensen.

A.B. keek me een beetje meewarig aan. Hij begon over Nabokov, en diens vader. En toen hoorde ik me toch een eigenaardig verhaal, zeg.

Geplaatst in Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Einde van Melancholie – Het Einde van Sinterklaas

Ik ontmoette A.B. voor het eerst in Berlijn, niet ver van Café Moskau. De omgeving was niet zo flamboyant als de nabijheid van het café liet vermoeden. Je stond er in een zone met hoge wittige flatgebouwen, daartussen grasveldjes. De bomen mochten in al de DDR-loze jaren doorgroeien, zodat het na iedere regenbui rook naar een herinnering aan het platteland. Het asfalt was gewoon grijs, en de trottoirtegels ook. Dit was de achterkant van de Karl Marx Allee, die verderop naar het oosten van naam veranderde en Frankfurter Allee werd.

Toen die twee straten nog Stalinallee heetten, vormden ze een brede boulevard met een lichtend einde. Dat einde lag ver voorbij de vlammende horizon en heette Moskou. Gouden vijfpuntige sterren tegen een rood font, tanks met de loop krachtig geheven, duizenden bevrijders in gelid, over de Stalinallee was je in minder dan een half uurtje lopen bij de Alexanderplatz. Daar ging de stoet de hoek om, onder het ijzer van de spoorwegen door, de Spreebrug over naar het plein van het Palast der Republik. En hier ging men juichen, of naar redevoeringen luisteren. Jeugd ging in blauw en wit gekleed, met een rood halsdoekje.

Aan het begin van de jaren zeventig werden in Oost Berlijn nog steeds gebouwen tot ontploffing gebracht. Het puinruimen hield geloof ik nooit op. Na 1989 kon iedereen zien hoe gammel en bouwvallig, hoe verloederd en gewoonweg vies Oost Berlijn was: precies iets voor jonge mensen die aan onaangepaste kunst deden en in gang zetten wat nu, vijfentwintig jaar later, eindelijk begint te lijken op het leven van alledag in welstandswijken. Daar wisten ze in 1972 nog niets van. Jeugd droeg terlenka broeken met wijde pijpen en bloemetjesoverhemden, ook aan hun kant van de voorhang hadden meisjes een Amerikaans kapsel en de jongemannen een snor en het haar tot over de oren. In de film De Legende van Paul en Paula, waarin iets van verveling en uitzichtsloosheid, maar ook veel alledaagsheid doorsijpelt is een scène waar de twee uit het raam kijken en zien hoe vòòr 1972 verdwijnt en nà 1972  zichtbaar wordt.

02_P&P_4

Wat daar verdween was een ander jaartal, 1929 bijvoorbeeld, toen Berlin Alexanderplatz werd gepubliceerd en de plek waar ik A.B. sprak nog niet zo sociaal-democratisch was bebouwd. De woonkazerne’s waren dicht bevolkt. In de trappenhuizen hing niet alleen de geur van armoede, maar drong ook het geluid door van slaande ruzies en betraand dronkemansgelal. Fassbinder maakte van Döblin’s boek een epos, liet in het Duitsland van de jaren van lood nog eens het melodramatische lief vaderland herleven. Die Döblinbom waardoor Berlin en Alexanderplatz één woord werd, met Isherwoods roman (en de daaraan afgeleide film) er nog eens overheen, de duizenden bommen en hakenkruizen, het DDRgedreun en roemruchte Berlijners lieten voor Nabokov weinig plaats in het collectieve Berlijngevoel. Maar die woonde er ook, toen in 1929, en had heel wel door een van de straten kunnen lopen die A.B. en ik alleen door een spookbril hadden kunnen zien, want om ons heen waren slechts bomen en grasveldjes, een paar geparkeerde auto’s en ergens tussen het groen de flatgebouwen die niet zo heel lang geleden voor gegoede burgers waren gebouwd.

A.B. was uit Moskou. Daar woonde hij ook. Ons gesprek nam langzaam een politieke wending. Het neonlicht begon al te schemeren. Zijn stem daalde. Helemaal begreep ik dat niet, want ik hoor niet zo goed en moet dan voortdurend vragen de zin nog eens te herhalen. Dat kan knap irritant worden op den duur. A.B. begreep het en loodste me zo onopvallend mogelijk naar binnen. Op een eenzame hoek van de bar, hij met een Becks en ik met een Berliner, van de twee bieren die ze hadden de minst erge, vertelde hij me het verhaal van een gewezen assistent van de burgemeester van Leningrad, hoe deze aan de bijnaam De Vamp was gekomen.

 

Geplaatst in Het Einde van Melancholie | Tags: , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen